In de plaatselijke nacht strekt zich een eindeloze, zilverwitte ijsvlakte uit tot aan een zacht gebogen horizon, waar bleke blauwgrijze rijp, roodbruine scheuren en dubbele ruggen diagonaal door het landschap snijden onder het zwakke schijnsel van de reuzenplaneet die enorm boven de hemelrand hangt. Het oppervlak oogt tegelijk glad en hevig gebroken: korrelige vorst, doorschijnende ijskorst, ondiepe troggen, lage chaosterreinen en hoekige platen van verstoord ijs verraden een korst van massief waterijs en bevroren zouten, vervormd door krachtige getijdenkrachten die het inwendige blijven kneden. Omdat er vrijwel geen atmosfeer is, is de hemel diepzwart en vol sterren, en vallen de schaduwen scherp en bijna absoluut donker, terwijl het weerkaatste licht koude zilverblauwe glans en hier en daar een zachte tan-kleurige reflectie op gladde ijsvlakken legt. Zo voelt dit stille landschap onwerkelijk helder en immens aan: een bevroren wereld zonder vloeibaar water aan de oppervlakte, maar met overal tekenen van een dynamische ijsschaal boven een verborgen zoute oceaan.