Voor je strekt zich een immense, helder bevroren vlakte uit, doorsneden door een brede scheurzone die oogt als een verstilde oceaanrug: aan weerszijden liggen oudere platen waterijs in roomwit en bleek blauw, fijn dooraderd met roestbruine lineae, lage dubbele ruggen en subtiele troggen, terwijl het midden veel donkerder is, gevuld met langgerekte groeven, verbrijzelde en geroteerde ijsblokken en zoutverkleurd ijs in tinten van tan, oker en roodbruin. Deze band is ontstaan waar de ijskorst uit elkaar werd getrokken door getijdenkrachten, waardoor jonger materiaal omhoogkwam en het oppervlak opnieuw bevroor; de donkere kleuren wijzen op zouten en door straling veranderde chemische verbindingen die het blootgelegde ijs hebben aangetast. In de bijna luchtloze omgeving is de hemel zwart, het zonlicht klein maar fel en koud, zodat richels, drukscheuren en korrelige rijp messcherpe schaduwen werpen en de horizon over tientallen kilometers ongewoon helder zichtbaar blijft. Alles voelt broos, stil en buitenaards groot, alsof je op een bevroren wereld staat die van binnen nog steeds langzaam wordt opengebroken.